DeLaval, Lely en Fullwood Packo stelden hun robotsoftware voor tijdens Koesensorworkshop

DeLaval, Lely en Fullwood Packo stelden hun robotsoftware voor tijdens Koesensorworkshop

Het kennisplatform Koesensor organiseerde in november 2019 op 3 verschillende locaties in Vlaanderen een workshop “Robotsoftware” gericht op melkveehouders die overwegen om over te schakelen van conventioneel melken naar robotmelken of die opnieuw investeren in een automatisch melksysteem.

Elk merk van melkrobot heeft immers zijn eigen softwaresysteem waar je als melkveehouder dagelijks mee zal moeten werken. Bij de aankoop van een automatisch melksysteem is het dus een goed idee om je niet alleen goed te informeren over de robot maar ook over de bijhorende software.

De workshops startten elk met een voorstelling van het kennisplatform Koesensor en een algemene presentatie over robotmelken. Hierin werd aandacht besteed aan de economische realiteit van robotmelken, het effect op de uiergezondheid en de melkkwaliteit, het water- en energieverbruik van melkrobots en het belang van een goede fokkerij.

Er kan besloten worden dat robotmelken duurder is dan conventioneel melken. Zo liggen de vaste en variabele kosten op robotbedrijven gemiddeld hoger dan op conventionele bedrijven die recent geïnvesteerd hebben in een nieuwe melkinstallatie. De redenen daarvoor zijn een hoger krachtvoerverbruik (zonder dat daar een verminderde ruwvoerkost tegenover staat), hogere energiekosten en een hogere kost voor onderhoud. De hogere vaste kosten worden verklaart door de kortere afschrijftermijn van melkrobots (10-15 j) ten opzichte van conventionele installaties (15-20j) en de vaststelling dat de overstap naar robotmelken vaker gepaard gaat met het bouwen van een nieuwe stal.

Uit de bedrijfseconomische boekhoudingen van Boerenbond in 2018 blijkt dat robotmelkers gemiddeld 500-600 liter meer melken per koe maar dat dit niet opweegt tegen de hogere kosten. De kostendekkende melkproductie per koe per jaar ligt bij robotmelkers immers zo’n 1900 l hoger dan bij conventionele melkveebedrijven die recent geïnvesteerd hebben.

Het zal daarbij ook niet verbazen dat ook het water- en energieverbruik op robotbedrijven hoger ligt. Al heb je bij robotmelken wel het voordeel een gelijkmatiger verbruiksprofiel te hebben waardoor het interessanter wordt om bijvoorbeeld te investeren in zonnepanelen. Bovendien zijn er heel wat mogelijkheden om het energie- en waterverbruik te beperken denk maar aan een zonneboiler, voorkoeler of warmterecuperatiesystemen waarbij het reinigingswater deels voorverwarmt wordt via de koelgroep van de melktank.

Ook naar melkkwaliteit toe zijn er een aantal aandachtspunten waar je als melkveehouder rekening mee moet houden bij de overschakeling naar robotmelken. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat het tankcelgetal op robotbedrijven hoger is dan het Vlaamse gemiddelde en zelfs 18.000 cellen/ml hoger ligt dan bij het best scorende melksysteem namelijk de zij-aan-zij stand. Maar vooral het coligetal blijkt op robotbedrijven wel eens een uitdaging te zijn. Dat ligt ruim hoger (17-22 CFU/ml) dan op conventionele bedrijven (8.7 CFU/ml). De oorzaken daarvoor zijn multifactorieel, wat vast staat is dat er op robotbedrijven wel extra aandacht besteed moet worden aan de stal- en uierhygiëne, het correct voorbehandelen van de spenen door de robot, een goed onderhoud van de robot en aan de koeling (vooral bij minder/weinig melkingen ’s nachts). Besparen op onderhoud om meer koeien te kunnen melken of water en energie uit te sparen is dan ook geen goed idee. Dit zal ten koste gaan van de melkkwaliteit en de uiergezondheid.

Brengt overschakelen op robotmelken dan een arbeidsbesparing met zich mee? Uit de bedrijfseconomische boekhoudingen van 2018 blijkt alvast van niet. Hoewel het inschatten van arbeid zeer moeilijk is, kunnen we er wel vanuit gaan dat de boekhoudcijfers een indicatie zijn van de realiteit. Vast staat dat investeren in een nieuwe melkinstallatie, of het nu een robot is of een conventioneel melksysteem, de melkproductie per voltijdse arbeidskracht en per uur doet toenemen en dus zorgt voor een hogere arbeidsefficiëntie. Robotmelkers hebben echter geen hogere arbeidsefficiëntie dan conventionele melkveehouders die recent investeerden.

Hoewel robotmelken dus geen arbeidsbesparing met zich meebrengt bekom je als melkveehouder wel meer arbeidsflexibiliteit. Het niet meer gebonden zijn aan vaste melktijden maakt dat je je werk flexibeler kan inplannen. Al kan automatisch melken niet zonder routine zo blijkt ook uit een artikel in Elite waarin het belang van een goede planning van de taken wordt aangetoond. Naast arbeidsflexibiliteit verhoogd uiteraard ook het arbeidsgemak door het wegvallen van het melken dat fysiek belastend is. Robotmelken brengt dus zowel voor- als nadelen met zich mee die tegenover elkaar afgewogen moeten worden.   

Na de algemene presentatie kregen de deelnemers de kans om achtereenvolgens kennis te maken met de softwaresystemen van DeLaval (Delpro), Lely (T4C) en Fullwood Packo (Crystal). Zij stelden elk hun software op een interactieve manier voor. Om te kunnen ervaren hoe het is om met de software te werken, konden de aanwezigen via de laptop meevolgen en aan de slag gaan in een testomgeving met daarin realistische bedrijfsgegevens.

Telkens werd de opbouw van elk softwaresysteem toegelicht waarna ingegaan werd op te checken lijsten en kengetallen. Bij robotmelken zie je je koeien niet meer standaard twee keer per dag dus dan is de vraag welke dieren jouw aandacht nodig hebben. Automatisch melken levert daarvoor heel wat gegevens op die je als melkveehouder moet interpreteren. Gelukkig zijn er handige hulpmiddelen zoals attentielijsten en bijvoorbeeld een koemonitor die aangeven welke dieren afwijken en dus gecontroleerd moeten worden.

Naast het opsporen van attentiedieren werd ook aandacht besteed aan het registreren van diergegevens en handelingen, het opvolgen van de vruchtbaarheid, de mogelijkheden met betrekking tot voertabellen en –schema’s,… Uiteraard zijn bovenstaande zaken in alle drie de softwaresystemen mogelijk. Toch blijkt dat elk systeem anders is opgebouwd en zijn eigen kenmerken en eigenheid heeft. En dat is precies de reden waarom deze workshops georganiseerd werden. Het is aan de eindgebruiker, de melkveehouder, om na te gaan bij welk systeem hij zich het comfortabelst voelt. Hij of zij zal er immers dagelijks mee moeten werken. Wij boden die unieke kans. Uit de inschrijvingen bleek dat er veel interesse was, ook van erfbetreders en veeartsen. De positieve reacties na afloop, van zowel deelnemers als de deelnemende robotmerken, bevestigen dat het een geslaagd initiatief is dat in de toekomst mogelijks voor herhaling vatbaar is.

Reageren is niet mogelijk.