Opvolging van koeien tijdens de transitieperiode van start gegaan op ILVO

Opvolging van koeien tijdens de transitieperiode van start gegaan op ILVO

De periode van 60 tot 90 dagen voor kalven, de transitieperiode, is de meest cruciale periode in de productiecyclus van hoog productief melkvee. Problemen tijdens de transitieperiode hebben negatieve effecten op de productie, de gezondheid en het welzijn van de dieren. Toch zijn niet alle koeien even ‘vatbaar’ voor deze transitieproblemen. Het zou dus heel waardevol zijn om dieren met een verhoogd risico op transitieproblemen te kunnen identificeren, monitoren en bijsturen.

Binnen het Veerkrachtproject zullen daarom tools gecreëerd worden om het transitiesucces van individuele dieren dynamisch op te volgen. Naast het identificeren van ‘probleemkoeien’ tracht het project ook de monitoring van deze koeien tijdens de transitieperiode verder te verfijnen door het integreren van informatie uit bestaande koesensoren en biomerkers. Op ILVO werd daarom in november 2018 een monitoringprogramma opgestart  waarbij alle koeien tijdens de transitieperiode in detail opgevolgd worden. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de melkproductie en de melksamenstelling. Het eiwit-, lactose- en ureumgehalte wordt bepaald, maar ook het celgetal, het vetzuurprofiel en de hoeveelheid ketonen in de melk. De voederopname voor en na het kalven wordt opgevolgd met behulp van individuele ruwvoerbakken. Om een gedetailleerd beeld te krijgen van de metabole status van de dieren worden bloedmetabolieten bepaald. Bloedstalen genomen op dag 7 voor kalven en dag 3, 6, 9 en 21 na kalven worden ontleed op niet-veresterede vetzuren (NEFA’s), β-hydroxyboterzuur (BHB) en glucose. Met behulp van sensoren wordt ook de activiteit, body-conditiescore en het gewicht van de dieren gemonitord.

Play
Play
previous arrow
next arrow
Slider

Tot op heden werden 37 koeien gedetailleerd opgevolgd. Hoewel het nog vroeg is om conclusies te  trekken, komen een aantal tendensen wel al duidelijk naar voor. Zo hebben koeien met een afwijkend metabool profiel tussen 3 dagen na het kalven en  3 weken na het kalven een lagere bewegings-index en een lagere voeropname. Toch zijn er geen significante verschillen in de melkproductie uitgedrukt in meetmelk tussen dieren met een afwijkend metabool profiel en hun stalgenoten die zonder problemen door de transitie gaan. Wat de melksamenstelling betreft zijn er wel verschillen waar te nemen. Zo blijkt de melk van dieren met metabole problemen gedurende de eerste drie weken van hun lactatie een hogere vet/eiwitverhouding te hebben. De vet/eiwitverhouding van de melk bevat dus waardevolle informatie  om dieren met een ernstige negatieve energiebalans te identificeren. Daarnaast is ook de vetzuursamenstelling van de melk anders bij deze dieren, al zijn er meer staalnames en bijkomende analyses nodig om meer duidelijkheid te brengen.

Niet tegenstaande enkele duidelijke tendensen is er dus verder onderzoek nodig om te bepalen welke sensoren en biomerkers gecombineerd kunnen worden om dieren die metabool minder veerkrachtig zijn te identificeren en op te volgen. De proef op ILVO zal daarom nog een hele tijd doorlopen. Bij 40 koeien worden bijkomende gegevens verzameld over de penswerking en de mest. Dit gebeurt met behulp van pensbolussen die de pH monitoren en herkauwsensoren om ook het (her)kauwgedrag van de dieren in kaart te brengen. Op pens- en meststalen zal het microbioom onderzocht worden. Om voldoende dieren onder praktijkomstandigheden te kunnen opvolgen zal in de komende maanden een gelijkaardig monitoringsprogramma opgestart worden op andere melkveebedrijven.

De resultaten van deze vervolgproeven zullen later onder meer gecommuniceerd worden via de Koesensorwebsite en –nieuwsbrief.

Reageren is niet mogelijk.