Uiergezondheid op Belgische en Nederlandse melkrobotbedrijven

Uiergezondheid op Belgische en Nederlandse melkrobotbedrijven

Steeds meer melkveebedrijven melken met een automatisch melksysteem (AMS). Eén van de belangrijkste redenen is de tijdswinst en hogere melkproductie door het automatische en continue melkproces. Automatisch melken betekent dat de veehouder minder contact heeft met zijn dieren en vraagt een aangepast management. Heeft dit een effect op de uiergezondheid? Onderzoekers binnen het MastiMan project zochten het uit.

In totaal werden er voor deze studie 48 Belgische en Nederlandse melkveebedrijven met een DeLaval of Lely melkrobot bezocht tussen januari 2017 en december 2019. Aan de hand van de melkproductieregistraties (MPR) werden verschillende uiergezondheidsparameters berekend over een periode van 3 jaar. Deze parameters, hun gemiddelde over alle bedrijven heen en de bijhorende streef- en grenswaarden, worden weergegeven in Tabel 1. Daarnaast werd ook nagegaan of er een relatie bestaat tussen deze parameters en de bedrijfsgrootte, het seizoen, het jaar, de melkproductie en het bedrijfscelgetal.

ParameterGemiddeldeStreefwaardeGrenswaarde
Aantal melkrobots1.9  
Bedrijfsgrootte (aantal melkgevende dieren)101.3  
Melkproductie bedrijf (kg/koe/MPR)30.7  
Melkproductie vaarzen27.6  
Melkproductie koeien32.8  
Gemiddeld bedrijfscelgetal (cellen/mL)232 400 < 200 000
Gemiddeld vaarscelgetal152 600 < 150 000
Gemiddeld koecelgetal277 100 < 250 000
% Dieren met verhoogd celgetal19.62025
% Nieuwe infecties758
% Bestaande infecties10.31015
% Hoog celgetal na afkalven17.21518
% Genezing tijdens lactatie324030
Tabel 1. Gemiddelde, streefwaarde en grenswaarde voor de uiergezondheidsparameters van de 48 robotbedrijven uit deze studie. De in het vet gemarkeerde parameters overschrijden de grenswaarde.

De uiergezondheid op de bezochte robotbedrijven was niet zo goed. Het gemiddelde bedrijfscelgetal lag meer dan 30.000 cellen/mL hoger dan de grenswaarde van 200.000 cellen/mL. Zowel het celgetal van de koeien als van de vaarzen overschreed de grenswaarde. Ook het percentage nieuwe en bestaande infecties en het percentage dieren dat afkalft met een verhoogd celgetal was aan de hoge kant.

Relatie tussen het bedrijfscelgetal en het percentage nieuwe en chronische infecties

Uit tabel 1 blijkt dat er op de bezochte robotbedrijven zowel een hoog celgetal als veel nieuwe en bestaande infecties voorkwamen. Het verband tussen deze parameters wordt voorgesteld In figuur 1. Bedrijven met veel nieuwe en bestaande infecties liggen in het rechter boven kwadrant. Bedrijven met weinig nieuwe en bestaande infecties liggen in het linker onder kwadrant. Elk bezocht bedrijf kreeg op basis van het gemiddelde bedrijfscelgetal ook een kleur toegekend.

Figuur 1: relatie tussen het bedrijfscelgetal en het percentage nieuwe en bestaande infecties. De assen komen overeen met de streefwaarden voor het percentage nieuwe en bestaande infecties, respectievelijk 5 en 10%.

Bedrijven met een percentage nieuwe infecties dat de streefwaarde (5%) overschrijdt hebben niet per definitie een te hoog bedrijfscelgetal. Vooral bedrijven waar ook het percentage dieren met een bestaande infectie de streefwaarde overschrijdt, hebben het moeilijk om hun bedrijfscelgetal onder controle te houden. Deze figuur toont aan dat het celgetal een goede parameter is om de uiergezondheid op het bedrijf op te volgen en dat een goede opvolging, zodat minder nieuwe infecties chronisch worden, de sleutel is tot succes.

Het effect van bedrijfsgrootte op de uiergezondheid

Over het algemeen werd een minder goede uiergezondheid vastgesteld op grotere bedrijven. De bedrijfsgrootte had een significant effect op het bedrijfscelgetal, het vaarzencelgetal, het percentage dieren met een verhoogd celgetal, het percentage bestaande infecties en het percentage genezing tijdens de lactatie.

Wanneer de vergelijking gemaakt wordt tussen een bedrijf met het gemiddeld aantal dieren in deze studie, namelijk 101 dieren, en een bedrijf met 200 dieren dan:

  • Had dit grotere bedrijf
    • een bedrijfscelgetal dat gemiddeld 24 796 cellen/mL hoger lag
    • een vaarzencelgetal en koeiencelgetal dat respectievelijk gemiddeld 24 529 cellen/mL en 27 006 cellen/mL hoger lag
  • verhoogde elk extra dier boven 101
    • het ‘percentage dieren met een verhoogd celgetal’ met 0.02%
    • het ‘percentage bestaande infecties’ met 0.02%
  • verlaagde elk extra dier boven 101
    • het ‘percentage dieren dat geneest tijdens lactatie’ met 0.04%

Gemiddeld gezien geldt dat hoe groter het robotbedrijf, hoe minder goed de uiergezondheidsparameters. Op grotere bedrijven zal dus meer aandacht besteed moeten worden aan het uiergezondheidsmanagement.

Effect van jaar en seizoen op de uiergezondheid

Uit dit onderzoek, dat liep van januari 2017 tot december 2019, blijkt dat het effect van een seizoen op de uiergezondheid niet elk jaar hetzelfde is. Zo was in de zomer en herfst van 2019 de uiergezondheid opvallend beter dan in deze seizoenen in 2017 en 2018.

De oorzaak van deze verschillen werd niet gevonden. Niet alleen de temperatuur en de luchtvochtigheid in de zomer en herfst van de verschillende jaren waren vergelijkbaar, ook het aantal dieren met een bepaalde pariteit was niet significant verschillend. Er konden ook geen afkalfpieken worden vastgesteld.

In het algemeen werd wel een minder goede uiergezondheid vastgesteld tijdens de zomer in vergelijking met de andere seizoenen. Dit zomereffect uitte zich in het bedrijfscelgetal (gemiddeld 18 900 cellen/mL hoger), het koecelgetal (gemiddeld 13 900 cellen/mL hoger), het vaarscelgetal (gemiddeld 10 200 cellen/mL hoger) en het percentage dieren met een verhoogd celgetal (gemiddeld 1.7% hoger).

Dat het celgetal in de zomer hoger ligt dan in de andere seizoenen, is een fenomeen dat zich ook op conventionele melkveebedrijven voor doet. Hogere temperaturen en een hogere vochtigheid (de basis voor hittestress) zorgen voor een immuniteitsdaling bij de dieren en vergemakkelijken de overleving en vermeerdering van de mastitiskiemen.

Relatie tussen de gemiddelde melkproductie en het bedrijfscelgetal

Uit een vergelijking tussen de gemiddelde melkproductie en het gemiddelde bedrijfscelgetal (zie figuur 2) blijkt dat er zoals verwacht een sterk significante negatieve relatie bestaat tussen beiden.

Voor elke stijging van 6085 cellen/mL in bedrijfscelgetal is de gemiddelde melkproductie op het bedrijf één kg lager. Meer specifiek zal bij de koeien een stijging van 6700 cellen/mL in koecelgetal en bij de vaarzen een stijging van 4100 cellen/mL zorgen voor gemiddeld één kg minder melk.  

Één van de verklaringen hiervoor is dat dieren met een uierontsteking minder melk produceren ten gevolge van de lokale ontstekingsreactie en het systemisch ziek zijn. Daarnaast treedt er ook een verdunningseffect op wanneer de melkproductie toeneemt. Hetzelfde aantal cellen wordt dan verdeeld over meer liters melk.

Figuur 2: Deze grafiek illustreert het omgekeerde verband tussen het aantal kg melk en het gemiddelde bedrijfs-, vaars- en koecelgetal. Hoe hoger het celgetal, hoe lager de melkproductie en vice versa.

Uit deze studie kan besloten worden dat de uiergezondheid op robotbedrijven nog gevoelig kan verbeteren. Om te weten welke factoren hierbij van belang zijn, worden volop de associaties tussen het management en de uiergezondheidsparameters onderzocht. In een volgend artikel komt u hier meer over te weten.

Reageren is niet mogelijk.